Lessen uit België: Wat wordt de impact van de Zelfstandigenwet?
De Zelfstandigenwet ligt op tafel, maar wat gaat dat betekenen voor de zzp-markt? In dit artikel leggen we de wet naast het Belgische model waarop de wet is gebaseerd, en kijken we naar wat daar gebeurde. Op basis daarvan maken we een onderbouwde inschatting van de impact van de Zelfstandigenwet in Nederland.

Nederland zet in op de Zelfstandigenwet
Het zal je als zzp'er of opdrachtgever niet ontgaan zijn: sinds 2025 wordt de Wet DBA weer gehandhaafd. Sindsdien heerst er onrust op de zzp-markt, die tot op de dag van vandaag niet is verdwenen. Zo zijn opdrachtgevers terughoudender met het inhuren van zzp'ers, en zitten zzp'ers in een krappe markt met veel concurrentie.
Minister Aartsen van Werk en Participatie is welbekend met die onrust, en belooft concrete stappen te zetten naar een oplossing. Zo komt er naar alle waarschijnlijkheid een minimum uurtarief voor zzp'ers aan, en zet de minister in op de uiteindelijke invoering van de Zelfstandigenwet. De Zelfstandigenwet is een wetsvoorstel dat onder andere pleit voor:
- Zekerheid vooraf via een toetsingscommissie
De oprichting van een onafhankelijke toetsingscommissie die op verzoek vooraf bindend kan adviseren of een specifieke werkrelatie voldoet aan de wet.
- Sectorale aanpak voor hoog-risico branches
De mogelijkheid om per sector extra criteria op te stellen via een sectorale toets.
- De dubbele toets op status en relatie
Een objectiever toetsingskader bestaande uit een zelfstandigentoets (kijkt naar ondernemerschap van de zzp'er) en een werkrelatietoets (kijkt naar de feitelijke samenwerking met de opdrachtgever).
- Eigen verantwoordelijkheid voor bescherming
Het koppelen van de status van een zelfstandige aan de plicht om zelf voorzieningen te treffen voor arbeidsongeschiktheid en pensioen.
Waarom kijken naar België?
De Zelfstandigenwet is niet volledig nieuw. Het voorstel is deels gebaseerd op hoe België al jaren schijnzelfstandigheid beoordeelt. Daar wordt gewerkt met vergelijkbare criteria, sectorale regels en een commissie die in specifieke gevallen vooraf kan toetsen.
Dat maakt België een graadmeter voor de Zelfstandigenwet. Het systeem lijkt op hoofdlijnen op wat Nederland wil invoeren, maar bestaat daar al langer. Daardoor is het mogelijk om niet alleen naar de regels zelf te kijken, maar ook naar wat er in de praktijk gebeurt als je zo’n model invoert. Daarmee kunnen we een voorzichtige schatting doen van de impact die de Zelfstandigenwet zal hebben in Nederland, als het wetsvoorstel in huidige vorm wordt ingevoerd.
Tegelijk is het belangrijk om te weten dat dit geen één-op-één vergelijking is. De Belgische wetgeving bevat concrete verschillen met de Zelfstandigenwet, en ook de zzp-markt verschilt op een aantal belangrijke punten van de Nederlandse. Dat betekent dat de uitkomsten niet automatisch hetzelfde zullen zijn. Daarnaast kunnen er nog wijzigingen in de Zelfstandigenwet worden doorgevoerd.
Het Belgische model tegen schijnzelfstandigheid
De basis van de Belgische wetgeving tegen schijnzelfstandigheid werd gelegd in 2006, toen de Arbeidsrelatiewet werd ingevoerd. Die wet moest helder maken wanneer iemand als zelfstandige mag werken en wanneer er feitelijk sprake is van loondienst, en is sindsdien verder uitgebreid. Diverse onderdelen van de Arbeidsrelatiewet zijn ook terug te vinden in het Wetsvoorstel Zelfstandigenwet.
Wanneer ben je volgens de wet zelfstandig?
De Arbeidsrelatiewet kijkt naar vier algemene criteria om te bepalen of iemand als zelfstandige werkt:
- Hebben opdrachtgever en opdrachtnemer er bewust voor gekozen om als zelfstandigen samen te werken, en is dat ook zo vastgelegd?
- Kan de zelfstandige zelf bepalen hoe het werk wordt uitgevoerd, of ligt dat vast vanuit de opdrachtgever?
- Bepaalt de zelfstandige zelf wanneer het werk gebeurt, of wordt er gewerkt met vaste tijden of roosters?
- Is er sprake van directe controle of hiërarchie, waarbij de opdrachtgever bepaalt wat er moet gebeuren?
Hoe meer vrijheid een zelfstandige heeft op deze punten, hoe groter de kans dat er sprake is van echte zelfstandigheid. In de memorie van toelichting van de Zelfstandigenwet wordt elk van deze criteria ook opgenomen.
Extra regels in risicosectoren
Naast de algemene criteria werkt België met extra regels voor sectoren waar schijnzelfstandigheid vaker voorkomt. In die sectoren geldt een aanvullend toetsingskader, vaak in de vorm van een rechtsvermoeden. Op dit moment zijn er in België zes sectoren waarin zulke aanvullende regels gelden. Die regels verschillen per sector in detail, maar komen in de praktijk neer op dezelfde signalen van schijnzelfstandigheid:
- Geen of beperkt financieel risico
De zelfstandige loopt zelf nauwelijks risico. Er is bijvoorbeeld geen eigen investering, geen deelname in winst of verlies, of geen financiële verantwoordelijkheid voor het werk.
- Geen beslissingsmacht binnen de onderneming
De persoon heeft geen invloed op belangrijke keuzes, zoals financiën, aankopen of prijsstelling. Daarmee gedraagt de persoon zich meer als uitvoerend personeel dan als ondernemer.
- Vaste vergoeding in plaats van ondernemersinkomen
De vergoeding ligt vooraf vast en verandert niet met het resultaat van het werk. Dat wijst erop dat iemand niet onderneemt, maar wordt betaald als werknemer.
- Geen mogelijkheid om eigen personeel in te zetten
De zelfstandige kan het werk niet laten uitvoeren door anderen en heeft geen ruimte om personeel in te schakelen. Dat beperkt de vrijheid die je normaal als ondernemer hebt.
- Niet zichtbaar opereren als zelfstandig bedrijf
Er is geen eigen merk, geen eigen klantenbestand of er wordt vooral voor één opdrachtgever gewerkt. Daardoor is er weinig onderscheid met een gewone werknemer.
- Gebruik van middelen van de opdrachtgever
Het werk wordt uitgevoerd met materiaal, voertuigen of op locaties van de opdrachtgever. Dat wijst op afhankelijkheid en minder zelfstandigheid.
De risicosectoren in kwestie zijn in België:
- Bouw
- Bewaking
- Vervoer van goederen en/of personen
- Schoonmaak
- Land- en tuinbouw
- Werken via een digitaal platform (bijvoorbeeld Uber)
In Nederland zijn er nog geen concrete sectorale regels uitgewerkt. De Zelfstandigenwet biedt wel de mogelijkheid om dit in de toekomst per sector te doen.
Opvallend is wel dat veel van de criteria die in België alleen in specifieke sectoren gelden, in de Zelfstandigenwet juist als algemene uitgangspunten worden gebruikt voor alle zzp'ers.
De rol van de toetsingscommissie
De Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie kan in twijfelgevallen beoordelen of iemand werkt als zelfstandige of in loondienst. Een aanvraag kan worden ingediend door één van de partijen, of gezamenlijk. Dat kan vóór de start van de samenwerking, maar ook tijdens de opdracht of wanneer de samenwerking verandert.
De commissie kan twee soorten uitspraken doen:
- Advies: een niet-bindende beoordeling die richting geeft
- Beslissing: een bindend oordeel voor instanties zoals sociale zekerheidsorganisaties
Beslissingen worden gepubliceerd (geanonimiseerd), zodat ook andere partijen kunnen zien hoe bepaalde situaties worden beoordeeld. Zo wordt de grens tussen loondienst en zelfstandigheid steeds duidelijker.
De gevolgen van schijnzelfstandigheid
In België werkt dit vrijwel hetzelfde als in Nederland. De opdrachtgever moet na een herkwalificatie achteraf naheffingen betalen. Denk aan:
- Werkgevers- en werknemersbijdragen
- Achterstallig loon en looncorrecties
- Vakantiegeld en vakantiedagen
- Eindejaarspremie en sectorale vergoedingen
- Opzegtermijn of ontslagvergoeding
Daarnaast kan ook nog een boete volgen.
Voor de freelancer zelf zijn de gevolgen meestal beperkter. De inkomsten worden achteraf behandeld als loon in plaats van zelfstandige omzet, en sociale bijdragen als zelfstandige kunnen worden herzien of teruggedraaid.
Wat gebeurde er in België na invoering van handhaving tegen schijnzelfstandigheid?
De Belgische aanpak van schijnzelfstandigheid bestaat al grotendeels sinds 2006. Daardoor kun je niet alleen kijken naar wat de regels zijn, maar ook naar wat er gebeurt als je zo’n systeem invoert.
Volgens verschillende bronnen, zoals rapporten van de NAR en van het ABC-CGG, was er in België ook sprake van onrust na de introductie van deze wetgeving. Opdrachtgevers bevroren contracten uit angst voor de "RSZ-inspectie", en belangenorganisaties vonden de criteria onduidelijk.
Opvallend is dat de Belgische wetgeving toen nog werkte met de vier eerder genoemde hoofdcriteria, en de extra criteria voor risicosectoren. Terwijl er in Nederland sprake was van een onduidelijke hoeveelheid criteria die voor elke sector golden, toen de handhaving in 2025 weer op scherp werd gezet. Dat maakte de schokgolf in Nederland aanzienlijk groter dan in België. Zo werd het aantal zelfstandigen in België bijvoorbeeld niet teruggedrongen door de invoering van deze wetgeving en handhaving, terwijl er in Nederland al sprake was van een daling in 2025.
De introductie van de toetsingscommissie in 2013 droeg bij aan het terugkeren van de rust. De mogelijkheid om vooraf een bindend oordeel te krijgen over de arbeidsrelatie maakte opdrachtgevers minder terughoudend. Daar was wel een onafhankelijke opstelling van de Toetsingscommissie voor nodig, want in eerste instantie wilden opdrachtgevers een samenwerking niet laten checken uit angst om 'onder de radar' van de inspecties te komen.
De handhaving in cijfers
Hoeveel naheffingen en boetes er jaarlijks worden opgelegd, is niet bekend. Maar er is publieke informatie beschikbaar van de Commissie Arbeidsrelaties over het aantal aanvragen dat ze ontvangen. In 2024 kreeg de commissie 25 aanvragen. Dat lijkt weinig, maar in totaal zijn er sinds de start van de commissie al 294 aanvragen afgehandeld. Dat zijn 294 adviezen en beslissingen die verduidelijken wanneer er sprake is van schijnzelfstandigheid.
In 2024 ging het om 19 adviezen en 6 bindende beslissingen. Daarvan waren er 10 gevallen waarin werd bepaald dat de arbeidsrelatie moest worden herzien. Het aantal aanvragen per jaar is als volgt:
| Jaar | Aanvragen |
| 2013 | 13 |
| 2014 | 19 |
| 2015 | 20 |
| 2016 | 27 |
| 2017 | 31 |
| 2018 | 38 |
| 2019 | 27 |
| 2020 | 33 |
| 2021 | 25 |
| 2022 | 15 |
| 2023 | 21 |
| 2024 | 25 |
| 2025 | Nog onbekend |
De verschillen tussen het Belgische model en de Zelfstandigenwet
Hoewel de Zelfstandigenwet deels is gebaseerd op het Belgische model, zijn er een aantal duidelijke verschillen in de opzet en toepassing van de regels. Om in te schatten wat voor effect de komst van de Zelfstandigenwet in Nederland zal hebben, moeten de verschillen worden meegewogen. De meest relevante verschillen tussen het Belgische model en de Zelfstandigenwet zijn:
- Nederland voegt een extra toegangspoort toe voor zelfstandigheid
In België wordt alleen gekeken naar de arbeidsrelatie: werk je feitelijk als zelfstandige of niet?
In Nederland moet je eerst aantonen dat je überhaupt als zelfstandige mag werken, via de zelfstandigentoets met eisen zoals je administratie op orde hebben, extern ondernemerschap vertonen en voorzieningen voor AOV en pensioen hebben.
- Nog geen sectorale regels in Nederland
België heeft concrete sectoren met uitgewerkte criteria en rechtsvermoedens. In Nederland bestaat die mogelijkheid wel, maar is nog niet ingevuld hoe breed dit wordt toegepast. Voor nu zijn de criteria in de Zelfstandigenwet de leidraad voor alle sectoren.
- De toetsingscommissie werkt ook op verzoek van de Belastingdienst
Volgens de Memorie van Toelichting Zelfstandigenwet kan de toetsingscommissie ook op verzoek van handhavende instanties adviezen en beoordelingen geven. In België wordt de commissie alleen gebruikt voor specifieke cases van opdrachtgevers en zelfstandigen.
- De Nederlandse wet wordt ingevoerd tijdens actieve handhaving
In België kwamen de criteria voor schijnzelfstandigheid tegelijk met de invoering van handhaving. Tegen de tijd dat de criteria van de Zelfstandigenwet bindend zijn, wordt er al geruime tijd gehandhaaft op onduidelijke regels.
De cultuurverschillen tussen de Belgische en Nederlandse zzp-markt
Naast verschillen in wetgeving zijn er ook duidelijke verschillen in hoe de zzp-markt in beide landen is ingericht. Die bepalen ook in grote mate hoe hard nieuwe regels ingrijpen. Hiervan zijn de meest relevante:
- De Nederlandse zzp-markt is groter en draait vooral om eigen arbeid
In Nederland werken bijna 1,3 miljoen mensen als zzp'er met een hoofdbaan, zo’n 13% van alle werkenden. Ongeveer 85% daarvan verkoopt vooral eigen arbeid. In België werkt een groot deel van de zzp-markt als zelfstandige in bijberoep.
- Het grijze gebied is in Nederland groter
In België hebben zelfstandigen vaker meerdere opdrachtgevers: ruim 74% heeft meer dan negen klanten per jaar. Terwijl in Nederland ruim 31% van zzp'ers aangeeft dat opdrachtgevers controle uitoefenen over hun werktijden. Het is juist dat soort grijze gebieden waar de Zelfstandigenwet op ingrijpt.
- De rol van zelfstandigheid verschilt fundamenteel
In België draait de wet vooral om de vraag: ben je werknemer of zelfstandige?
In Nederland gaat het een stap verder: je moet ook aantonen dat je als zelfstandige kán en mag werken, bijvoorbeeld via voorzieningen voor arbeidsongeschiktheid en pensioen.
Wat wordt de impact van de Zelfstandigenwet in Nederland?
De kernconclusie is dat de Zelfstandigenwet, hoewel geïnspireerd door het Belgische model, in de praktijk een aanzienlijk grotere impact zal hebben op de Nederlandse markt. De Zelfstandigenwet gebruikt België als legitimatie, maar bouwt in werkelijkheid een strenger en dwingender systeem.
Toch brengt de komst van de Zelfstandigenwet wél duidelijke richtlijnen, en met de toetsingscommissie ook een steeds concretere grens tussen loondienst en zelfstandigheid op de lange termijn. Dat geeft opdrachtgevers de mogelijkheid om, zolang de administratie goed op orde is, zonder risico direct zzp'ers in te huren. De kans is daarmee groot dat, net als in België, er op den duur meer rust in de markt zal komen. Maar dat zal niet in één nacht gebeuren.
De drie meest concrete veranderingen die de Zelfstandigenwet zal brengen:
- De administratieve lat gaat omhoog voor álle zzp'ers
De Zelfstandigenwet brengt in Nederland de Zelfstandigentoets. Deze toets verplicht alle zzp'ers (dus ook de zzp'ers die 'gewoonlijk' geen risico lopen op schijnzelfstandigheid) om al hun extern ondernemerschap nauwkeurig te documenteren. Zzp'ers die inhoudelijk autonoom zijn maar hun zaken "documentair" niet op orde hebben, lopen hierdoor een reëel risico.
- Een deel van de zzp-markt stroomt door naar dienstverbanden, met name aan de onderkant
Voor zzp'ers in afhankelijke constructies, risicosectoren of met te lage tarieven wordt de combinatie van zelfstandigentoets én werkrelatietoets een echte drempel. Niet iedereen in die groep is schijnzelfstandige, maar niet iedereen zal de administratieve en financiële lat halen. De uitstroom die in Q1 2025 al begon, zal onder de Zelfstandigenwet structureler worden in risicosectoren.
- Opdrachtgevers kunnen selectiever worden richting zzp'ers
De Zelfstandigenwet legt de bewijslast bij de zzp'er, maar verplicht opdrachtgevers vervolgens om die onderbouwing te beoordelen. Doen ze dat niet goed en wordt de relatie achteraf herkwalificeerd, dan dragen zij het risico op naheffingen. Het gevolg: opdrachtgevers stellen hogere eisen aan documentatie, of leggen het bij de zzp'er neer. En in twijfelgevallen kunnen ze ervoor kiezen om via tussenpartijen in te huren, wat sinds de handhaving op de Wet DBA al in grote getale voorkomt.
Hoe bereid je je hierop voor?
Voor zzp'ers is het verstandig om alvast na te denken over hoe je je ondernemerschap documenteert. Voor opdrachtgevers is het advies vergelijkbaar: denk nu al na over hoe je inkoopprocessen eruitzien als de Zelfstandigenwet wordt ingevoerd. Welke documentatie vraag je op? Hoe beoordeel je die? En voor welke rollen of sectoren is het risico het grootst?
Tot slot: hou er rekening mee dat de Zelfstandigenwet nog door wijzigingen kan gaan voordat deze wordt ingevoerd. Door je in te schrijven voor onze nieuwsbrief, krijg je elke maand het laatste nieuws in je inbox:

